Regelmatig wordt personeel van winkels geconfronteerd met winkeldiefstal. Wat mogen zij wel en niet doen en wanneer is de werkgever voor hun handelen aansprakelijk
Indien een werknemer in het kader van het uitoefenen van zijn functie aan een derde schade toebrengt als gevolg van een fout, is de werkgever daarvoor jegens de derde aansprakelijk. Voorwaarde is dan wel dat sprake is van een fout, namelijk dat de werknemer onrechtmatig heeft gehandeld (bijv. in strijd heeft gehandeld met een zorgvuldigheidsnorm). Dit probleem doet zich o.a. voor bij het aanpakken van winkeldiefstal. Wat in dat kader wel mag blijkt uit de navolgende uitspraak.
Mevrouw A. is een graag geziene klant in een drogisterij, waar zij regelmatig producten koopt. In maart koopt zij twee producten van het merk ROC. Na betaling krijgt zij een kassabonnetje. Enige dagen later is mevrouw A. weer in de winkel, legt wat producten in haar mandje en pakt vervolgens weer dezelfde ROC-producten uit het vak. Bij de kassa aangekomen rekent zij de producten in het mandje af, en geeft de twee ROC-producten met het oude kassabonnetje aan de caissière met de vraag of zij deze producten kan ruilen, onder teruggave van de aankoopprijs. De caissière neemt de producten vervolgens in, en legt deze op de detectieplaat naast de kassa (bestemd voor het deactiveren van de beveiliging die in de verpakking van de producten zit). Tot verbazing van de caissière begint de detectieplaat te piepen, hetgeen betekent dat pas op dát moment de beveiliging in de producten wordt gedeactiveerd. Ofwel: het betreft producten die nog niet eerder de winkel uit zijn geweest. De caissière herkent vervolgens mevrouw A. als de klant die regelmatig producten retourneert. Zij alarmeert een beveiligingsmedewerker die aangeeft dat hij mevrouw al in de gaten had gehouden. Door de medewerkers wordt besloten aangifte te doen bij de politie. Mevrouw A. wordt nadien strafrechtelijk vervolgd, doch door de politierechter vrijgesproken (haar vraag was door de caissière kennelijk verkeerd begrepen).
Gesterkt door dit succes heeft mevrouw A. vervolgens de werkgever aansprakelijk gesteld voor het lichtvaardig doen van aangifte. Gevorderde schade: € 30.000,-- smartengeld.
De Rechtbank wijst de vordering af, omdat de medewerkers niet onzorgvuldig, en daarom ook niet onrechtmatig hebben gehandeld. Daarvoor is niet van belang de uitkomst van de strafzaak, doch de vraag of op het moment van aanhouding voor het doen van aangifte een redelijk vermoeden van schuld bestond. Aangenomen wordt dat, gezien de geconstateerde feiten, de medewerkers mevrouw A. in redelijkheid van oplichting konden verdenken. Dat dit niet zo’n gekke gedachte was, wordt volgens de rechter bevestigd door het feit dat de Officier van Justitie besloot om mevrouw A. te vervolgen. De rechter neemt daarbij voorts tot uitgangspunt dat de drogisterij het recht heeft haar eigendommen te beschermen en in geval van een verdenking van winkeldiefstal of oplichting aangifte te kunnen doen.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met: