Hoofdelijke aansprakelijkheid van tweedegraadsbestuurders en de bewijslast om daaraan te ontkomen

Leestijd 3 minuten

Op vrijdag 17 februari 2017 heeft de Hoge Raad een belangrijk arrest gewezen over de aansprakelijkheid van ‘tweedegraadsbestuurders’ (bijvoorbeeld een BV die bestuurder is van een BV: de rechtspersoonbestuurder) tegenover schuldeisers. De wet, artikel 2:11 Burgerlijk Wetboek, bepaalt kort gezegd dat als een rechtspersoonbestuurder als bestuurder aansprakelijk is, dat die aansprakelijkheid tevens hoofdelijk rust op degenen die ten tijde van het ontstaan van die aansprakelijkheid bestuurder waren van de rechtspersoonbestuurder. Met andere woorden: de aansprakelijkheid ‘rolt door’ tot er mens van vlees en bloed bereikt is.

Er was discussie mogelijk (i) over het antwoord op de vraag of dit ook gold als de rechtspersoonbestuurder aansprakelijk werd gehouden op grond van onrechtmatig handelen ex artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek. Daarnaast was (ii) de vraag of de bestuurder van de rechtspersoonbestuurder dan ook een persoonlijk ernstig verwijt moest kunnen worden. Het aantonen van een ernstig verwijt is een voorwaarde om bestuurders (van vlees en bloed) van een vennootschap aansprakelijk te houden voor onrechtmatig handelen van die vennootschap.

De Hoge Raad geeft nu op beide punten duidelijkheid.

De Hoge Raad oordeelt, ten aanzien van punt (i), dat artikel 2:11 Burgerlijk Wetboek van toepassing is in alle gevallen waarin een rechtspersoon in zijn hoedanigheid van bestuurder aansprakelijk is op grond van de wet. Dit kan dus ook als de aansprakelijkheid wordt gebaseerd op onrechtmatig handelen.

Over punt (ii) is de Hoge Raad ook stellig: zodra de rechtspersoonbestuurder in zijn hoedanigheid van bestuurder aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad, dan rust deze aansprakelijkheid tevens hoofdelijk op een ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid bestuurder is van de rechtspersoonbestuurder. Dus ook als die uiteindelijke bestuurder een mens van vlees en bloed is. Voor die bestuurder geldt niet de aanvullende eis dat de schuldeiser aantoont dat ook die bestuurder (van vlees en bloed) zelf een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.

De bestuurder heeft wel de mogelijkheid om aansprakelijkheid (alsnog) te voorkomen door te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat hem persoonlijk geen ernstig verwijt kan worden gemaakt van de gedragingen waarop de aansprakelijkheid van de rechtspersoonbestuurder is gebaseerd. De bestuurder draagt hiervan de bewijslast.

Samenvattend

Het arrest van de Hoge Raad van 17 februari 2017 maakt duidelijk dat in alle gevallen waarin een BV als bestuurder van een BV aansprakelijk is op grond van de wet, deze aansprakelijkheid uiteindelijk ‘doorrolt’ naar de natuurlijke persoon die de BV bestuurt. Daarnaast maakt het arrest duidelijk dat die aansprakelijkheid automatisch wordt doorgeschakeld naar de bestuurder(s) van die rechtspersoonbestuurder, zoals artikel 2:11 BW bepaalt. Niet nodig is dat de eisende partij aantoont dat die bestuurder van vlees en bloed persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Op de aansprakelijk gestelde bestuurder rust de last aan te tonen dat hem persoonlijk geen ernstig verwijt kan worden gemaakt van de gedragingen die tot de aansprakelijkheid van de rechtspersoonbestuurder hebben geleid.

Reacties

Nog geen reacties

Laat een reactie achter
  • Wordt niet openbaar gemaakt
Start chatgesprek

Medewerkers zijn nu beschikbaar

Onze medewerkers zijn nu online om uw zakelijke vragen te beantwoorden. Vul de naam van uw organisatie in en klik op "Start chat" om een chatgesprek te starten.

Sorry, de chat is momenteel niet beschikbaar