Nog steeds belang bij de voorwaardelijke ontbinding van een arbeidsovereenkomst

Leestijd 6 minuten

Ontslag op staande voet

Iedere werknemer maakt zo nu en dan wel eens een fout of een onverstandige beslissing. Een afspraak vergeten, te laat op het werk komen of een borreltje te veel drinken op de Nieuwjaarsborrel: het kan de beste overkomen. Meestal gaat het maken van fouten niet met ernstige consequenties gepaard. Een werknemer wordt hooguit door zijn baas op het matje geroepen en daar blijft het vaak bij. Sommige werknemers overtreden de regels echter op zodanige wijze, dat een waarschuwing niet volstaat. Maakt een werknemer zich schuldig aan bijvoorbeeld diefstal, agressie of seksueel overschrijdend gedrag, dan kan dat reden zijn om een werknemer op staande voet te ontslaan.

Verstrekkende consequenties

Een ontslag op staande voet heeft voor een werknemer verstrekkende consequenties. De werknemer is niet alleen van de ene op de andere dag zijn baan (en daarmee zijn inkomen) kwijt, de werknemer die terecht op staande voet wordt ontslagen heeft in beginsel ook geen recht op een WW-uitkering.

Ontslag op staande voet aanvechten vóór 1 juli 2015

Vóór de invoering van de Wet werk en zekerheid (hierna: de Wwz) op 1 juli 2015 had een werknemer de mogelijkheid om een ontslag op staande voet binnen zes maanden buitengerechtelijk (middels een simpel briefje aan de werkgever) te vernietigen. Het gevolg was dat het ontslag op staande voet teniet ging en de arbeidsovereenkomst bleef bestaan.

Vervolgens kon aan de kantonrechter de vraag worden voorgelegd of de werkgever het ontslag op staande voet nu wel of niet terecht had verleend. Voordat de kantonrechter uitsluitsel gaf, waren partijen vele maanden, zo niet (ruim) een jaar verder.

Voorwaardelijke ontbinding vóór 1 juli 2015

Omdat de Hoge Raad het onwenselijk vond dat partijen zo lang in onzekerheid verkeerden over de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig was verleend en of de arbeidsovereenkomst daardoor ten einde was gekomen of niet, creëerde de Hoge Raad de mogelijkheid om een voorwaardelijke ontbindingsprocedure te voeren. Deze procedure hield in dat een werkgever binnen korte tijd aan de kantonrechter kon vragen om de arbeidsovereenkomst ook voorwaardelijk te ontbinden, op grond van een verandering in de omstandigheden. Tegen de voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter stond geen rechtsmiddel open: partijen moesten het met die uitspraak doen.

Indien de kantonrechter uiteindelijk (in de procedure over het ontslag op staande voet) tot het oordeel kwam dat het ontslag op staande voet onterecht was verleend, dan kwam de arbeidsovereenkomst alsnog door de eerder uitgesproken voorwaardelijke ontbinding ten einde. Met de voorwaardelijke ontbindingsprocedure kon dan ook worden voorkomen dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bleef doorlopen – met alle financiële gevolgen voor de werkgever van dien – indien de kantonrechter een ontslag op staande voet aan het einde van de rit vernietigde.

Ontslag op staande voet aanvechten na 1 juli 2015

Sinds de invoering van de Wwz hebben werknemers niet langer de mogelijkheid om een ontslag op staande voet buitengerechtelijk te vernietigen. Is een werknemer het met een ontslag op staande voet niet eens, dan moet hij binnen twee maanden aan de kantonrechter vragen om de opzegging te vernietigen. Doet een werknemer dat niet, dan kan de werknemer tegen het ontslag op staande voet niets meer ondernemen.

Enerzijds heeft de werkgever sinds de invoering van de Wwz dus sneller duidelijkheid over de vraag of de werknemer zich al dan niet bij het ontslag op staande voet neerlegt. Anderzijds kan het tegenwoordig jaren duren voordat de werkgever zeker weet of hij het ontslag op staande voet terecht heeft verleend. Anders dan vóór de inwerkingtreding van de Wwz, kunnen partijen tegenwoordig namelijk in hoger beroep en cassatie tegen een beslissing van de kantonrechter.

Dat betekent dat een werkgever in een ontslag op staande voet situatie niet langer zekerheid kan verkrijgen over de vraag op welke datum de arbeidsovereenkomst uiterlijk is geëindigd, door een voorwaardelijke ontbindingsprocedure te starten. Zelfs al zou de kantonrechter de voorwaardelijke ontbinding immers uitspreken, dan bestaat de kans dat het hof die beslissing in hoger beroep vernietigt.

Voorwaardelijke ontbinding na 1 juli 2015?

Na de invoering van de Wwz rees dan ook de vraag of onder het huidige recht nog wel de mogelijkheid bestaat om bij een verleend ontslag op staande voet ook een voorwaardelijke ontbindingsprocedure te voeren. De kantonrechter te Enschede stelde recent een aantal zogenoemde ‘prejudiciële vragen’ aan de Hoge Raad, waarin de kantonrechter de Hoge Raad vroeg hoe hij over de problematiek rondom de voorwaardelijke ontbinding denkt.

Eind 2016 kwam de Hoge Raad met het verlossende antwoord: een werkgever heeft nog steeds de mogelijkheid om een voorwaardelijke ontbindingsprocedure te starten. Die mogelijkheid is wel beperkter dan vroeger. Het heeft volgens de Hoge Raad alleen nut om de kantonrechter om voorwaardelijke ontbinding van een arbeidsovereenkomst te vragen met het oog op de mogelijkheid dat de kantonrechter het ontslag op staande voet vernietigt. Indien de kantonrechter het ontslag op staande voet vernietigt, is de arbeidsovereenkomst immers niet ten einde gekomen en heeft de werkgever er belang bij dat de arbeidsovereenkomst alsnog wordt ontbonden; met het vernietigen van het ontslag op staande voet  slaat het in eerste instantie ingediende voorwaardelijke verzoek tot ontbinding om, in een onvoorwaardelijk verzoek tot ontbinding.  

De kantonrechter kan de arbeidsovereenkomst daarnaast nog steeds voorwaardelijk ontbinden, indien hij langer de tijd nodig heeft om zich een oordeel te vormen over de juistheid van het verleende ontslag op staande voet.

Voor zover een werkgever aan een kantonrechter vraagt om een arbeidsovereenkomst voorwaardelijk te ontbinden, terwijl de kantonrechter het ontslag op staande voet in stand laat, moet de kantonrechter dat verzoek naar het oordeel van de Hoge Raad afwijzen. Indien een kantonrechter een ontslag op staande voet in stand laat, bestaat er immers geen arbeidsovereenkomst meer, zodat er ook niets is om voorwaardelijk te ontbinden. Een werkgever heeft volgens de Hoge Raad geen belang bij een voorwaardelijke ontbinding van een arbeidsovereenkomst die niet meer bestaat.

Voor zover een werknemer tegen de beschikking van de kantonrechter in hoger beroep gaat en het hof de arbeidsovereenkomst alsnog herstelt, kan een reeds door de kantonrechter uitgesproken voorwaardelijke ontbinding er niet toe leiden dat de door het hof herstelde arbeidsovereenkomst alsnog wordt ontbonden. Dat zou volgens de Hoge Raad in strijd zijn met de bedoeling van de wetgever. Een kantonrechter moet een verzoek tot voorwaardelijke ontbinding daarom ook afwijzen, indien dat verzoek wordt gedaan onder de voorwaarde dat het hof de arbeidsovereenkomst alsnog herstelt.

Kort en goed

Kort en goed is het nog steeds mogelijk en zinvol om de kantonrechter te verzoeken tot voorwaardelijke ontbinding van een arbeidsovereenkomst over te gaan, indien een werknemer ageert tegen een hem verleend ontslag op staande voet. De mogelijkheden tot voorwaardelijke ontbinding zijn wel beperkter dan vóór 1 juli 2015.

Wilt u een werknemer op staande voet ontslaan of bent u als werknemer op staande voet ontslagen? Neem dan altijd zo spoedig mogelijk contact op met een van onze advocaten.

Bron: Hoge Raad 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2998.

 

Reacties

Nog geen reacties

Laat een reactie achter
  • Wordt niet openbaar gemaakt
Start chatgesprek

Medewerkers zijn nu beschikbaar

Onze medewerkers zijn nu online om uw zakelijke vragen te beantwoorden. Vul de naam van uw organisatie in en klik op "Start chat" om een chatgesprek te starten.

Sorry, de chat is momenteel niet beschikbaar