Update: kostenverhogende omstandigheden

Leestijd 2 minuten

In paragraaf 47 UAV 1989/2012 is bepaald dat indien kostenverhogende omstandigheden intreden, de aannemer aanspraak heeft op bijbetaling.

Onder kostenverhogende omstandigheden worden verstaan omstandigheden die van dien aard zijn dat 1) bij het tot stand komen van de overeenkomst geen rekening behoefde te worden gehouden met de kans dat zij zich zouden voordoen, die de aannemer 2) niet kunnen worden toegerekend en die 3) de kosten van het werk aanzienlijk verhogen.

Al jarenlang wordt discussie gevoerd wanneer nu voldaan is aan die 3e voorwaarde: “de kosten van het werk aanzienlijk verhogen”.

Over die vraag is dit jaar een aantal uitspraken gewezen. Ze zijn het bespreken waard, omdat duidelijk is dat de civiele rechter een iets andere maatstaf aanlegt dan de Raad van Arbitrage.

5%-criterium?

De Raad hanteert, zo blijkt onder andere uit een uitspraak van 25 april 2016, een zogenaamd “5%-criterium”. De beoordeling door de Raad komt op het volgende neer.

  • Eerst wordt het ondernemersrisico van de aannemer vastgesteld. Uitsluitend de kostenverhoging die dat ondernemersrisico overstijgt - het surplus - levert een kostenverhogende omstandigheid op.
  • Vervolgens geldt als vuistregel dat pas sprake is van een aanzienlijke verhoging als het surplus meer dan 5% bedraagt van het gehele aangenomen werk. Omdat pas van een “aanzienlijke kostenverhoging” sprake is boven die 5% - en de eerste 5% van het surplus dus niet als aanzienlijk wordt aangemerkt – komt uitsluitend het meerdere boven die 5% voor vergoeding in aanmerking.

De civiele rechter, zo blijkt uit een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 31 januari 2012 (die pas in 2016 bekend is gemaakt), hanteert dit 5% criterium niet. Het Gerechtshof Den Haag oordeelde dat er geen reden is om een ondergrens van 5% als harde norm te hanteren. Het Hof wil gewoon een open norm aan de hand van alle omstandigheden van het geval, waaronder de mate waarin tegenover deze kostenstijging zich elders in het werk kostendalingen hebben voorgedaan, de uiteindelijke winstgevendheid van het gehele project en de mate van voorzienbaarheid van de kostenstijging.

Zo ziet u maar: er bestaan nog altijd verschillen in beoordeling tussen de Raad van Arbitrage en de civiele rechter. Wellicht dat deze instanties – voor wat de beoordeling betreft – in de toekomst nog nader tot elkaar komen. De tijd zal het leren.

Raad van Arbitrage 25 april 2016, geschilnummer 35.131.

Hof Den Haag, 31 januari 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:83.

 

 

Reacties

Nog geen reacties

Laat een reactie achter
  • Wordt niet openbaar gemaakt
Start chatgesprek

Medewerkers zijn nu beschikbaar

Onze medewerkers zijn nu online om uw zakelijke vragen te beantwoorden. Vul de naam van uw organisatie in en klik op "Start chat" om een chatgesprek te starten.

Sorry, de chat is momenteel niet beschikbaar