Vast contract met gelijktijdig overeenkomst beëindiging: do you dare?

Leestijd 3 minuten

Regelmatig krijgen wij vragen over de ketenregeling. Het komt vaak voor dat na een derde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd de werkgever niet bereid is een vaste arbeidsovereenkomst te geven (omdat een vierde arbeidsovereenkomst in de keten een vaste arbeidsovereenkomst wordt), terwijl dezelfde werkgever de werknemer wel tijdelijk nog zou willen inzetten.

Een truc die bedacht is, is dat aan de werknemer na het derde tijdelijke contract een vast contract wordt aangeboden met de afspraak dat de werknemer gelijktijdig een vaststellingsovereenkomst tekent, waarmee dat vaste contract op een later moment eindigt.

Tot mijn verbazing heeft het Hof Den Bosch in juli 2013 een dergelijke constructie in stand gelaten. Immers, zo’n constructie lijkt in strijd te zijn met dwingend recht, wat vrij duidelijk in de Wet is opgenomen. Bij dergelijke constructies kunnen onder andere de volgende vragen worden gesteld:

  • of hier werkelijk gesproken kan worden van een vaststellingsovereenkomst in de zin van de Wet;
  • of in dergelijke kwesties geen sprake is van strijd met goede zeden of openbare orde;
  • of er geen sprake is van een situatie die in strijd is met de Europese richtlijn met betrekking tot arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd;
  • of er geen sprake is van misbruik van omstandigheden en daaraan gekoppelde vernietigbaarheid.

Het zou uiteraard kunnen dat de feiten in een zaak zodanig liggen dat een rechter, puur kijkend naar de uitkomst, een bevredigende oplossing probeert te bewerkstelligen en in dat kader op een bepaalde manier redeneert. In de zaak van het Hof ten Bosch speelde dat wellicht een rol. Want het lijkt erop dat de werknemer zelf ook een bepaald spel speelde en geen weerloos slachtoffer was van een “boze” werkgever.

Kritiek

In de literatuur - en inmiddels jurisprudentie - is de kritiek op de benadering van het Hof Den Bosch gaan aanzwellen en ondertussen zijn er al meerdere uitspraken waarin lagere rechters zich afzetten tegen de lijn van het Hof Den Bosch. Zo heeft de kantonrechter in Utrecht zich in mei van dit jaar afgezet tegen deze constructie, waarbij de rechtbank Utrecht geoordeeld heeft dat een dergelijke vaststellingsovereenkomst wegens strijd met dwingend recht vernietigbaar is op grond van artikel 3:40 lid 2 B.W.

Inmiddels heeft ook de kantonrechter in Amersfoort op 12 november 2014 hetzelfde standpunt ingenomen. Opvallend is dat de kantonrechter in Amersfoort aangeeft dat het arrest van het Hof Den Bosch veel kritiek heeft ontvangen in de literatuur en rechtspraak, zodat niet kan worden aangenomen dat dit arrest algemene navolging zou moeten krijgen. Ook de kantonrechter in Amersfoort oordeelt dat  een vaststellingsovereenkomst die gelijktijdig met een vaste arbeidsovereenkomst moest worden getekend in strijd is met een dwingende wetsbepaling en terecht door de werkneemster vernietigd is.

Een gewaarschuwd mens…

Opvallend is daarom dat lagere rechters zich op deze manier afzetten tegen een uitspraak van het Hof (hogere instantie), iets dat wij in de rechtspraak zelden zien. In mijn persoonlijke beleving zijn de standpunten van de lagere rechters en een aantal wetenschappers juist. En hoewel de feiten in het arrest van het Hof Den Bosch wellicht een dergelijk resultaat rechtvaardigen, is het dogmatisch gezien in mijn beleving ongeoorloofd  een dergelijke constructie toe te passen. Iedereen die denkt dat deze constructie nu mag worden toegepast, raad ik dan ook aan hierover goed na te denken, gelet op de risico's die eraan kleven. Zeker nu de ketenregeling teruggebracht wordt van drie naar twee jaar.

Reacties

Nog geen reacties

Laat een reactie achter
  • Wordt niet openbaar gemaakt
Start chatgesprek

Medewerkers zijn nu beschikbaar

Onze medewerkers zijn nu online om uw zakelijke vragen te beantwoorden. Vul de naam van uw organisatie in en klik op "Start chat" om een chatgesprek te starten.

Sorry, de chat is momenteel niet beschikbaar