Curator en (milieu)vergunning

30 maart 2015

Het aantal faillissementen daalt. Maar nog steeds komt het regelmatig voor dat curator en overheid aanlopen tegen de vraag wie verantwoordelijk is voor de naleving van vergunningvoorschriften en hoe het zit met de invordering van dwangsommen. Denk bijvoorbeeld aan illegale opslag van afval of het in stand houden van een illegaal bouwwerk. Tegenover wie moet de overheid nu handhaven? Dat is niet eenvoudig, ook omdat de meeste curatoren het bestuursrecht niet tot hun hobby rekenen en andersom overheden vaak weinig kaas hebben gegeten van faillissementsrecht.

Curator is verantwoordelijk voor naleving

In de kern is het niet zo ingewikkeld. Vanaf datum faillissement is de curator verantwoordelijk voor de naleving van de voor een bedrijf geldende (milieu)regels. Dat bevestigde de Raad van State nog eens in een uitspraak uit 2013. Dat betekent dat vanaf datum faillissement nieuwe lasten onder dwangsom (of bestuursdwang) aan de curator gericht moeten worden.

Maar hoe zit het dan met nog lopende dwangsommen?

Daar kan de overheid – gechargeerd en vrij vertaald – meestal naar fluiten. Dwangsommen die voor datum faillissement zijn verbeurd, vallen in de boedel. Zij kunnen, mits op de juiste wijze ingevorderd en niet verjaard (let dus op verjaringstermijnen!) worden ingediend bij de curator als concurrente vordering. Dwangsommen die verbeuren na datum faillissement zijn niet verifieerbaar en kunnen niet als vordering bij de curator worden ingediend, aldus de Raad van State in de hiervoor genoemde uitspraak. Een faillissement zal dus vaak betekenen dat lopende of verbeurde (maar nog niet geïncasseerde) dwangsommen niet meer geïncasseerd kunnen worden. Lopende lasten onder dwangsom blijven dus zonder effect; eventueel verbeurde of te verbeuren dwangsommen worden toch niet meer betaald.

Nieuwe lasten aan curator

Dat betekent dat het bevoegd gezag bij faillissement goed moet kijken of het nodig is om oude handhavingsbesluiten in te trekken en in plaats daarvan nieuwe handhavingsbesluiten te nemen, deze keer gericht aan de curator. In een uitspraak van 23 juli 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2728) oordeelde de Raad van State over de kosten van toegepaste bestuursdwang (bestaande uit het opruimen van verontreinigd bluswater). In dit geval was de overtreding (de brand) ontstaan ná datum faillissement en was ook de bestuursdwang toegepast ná datum faillissement. Dat betekent volgens de Raad van State dat de kosten van bestuursdwang zijn toe te rekenen aan de curator en daarom als boedelschuld (dus met hoge voorrang) op de boedel verhaald kunnen worden. Deze uitspraak laat overigens wel de vraag open of ook sprake is van een boedelschuld als het gaat om een voortdurende overtreding (bijvoorbeeld de opslag van een berg illegaal afval) die is begonnen vóór datum faillissement en waarvoor ná datum faillissement een handhavingsbesluit aan de curator is gezonden.

Curatoren en civiele juristen plaatsen hier hun vraagtekens bij. Zij kunnen het maar moeilijk verkroppen dat de Raad van State bepaalt wat een boedelschuld is en wat niet. Wat hiervan zij, in dit soort zaken is de Raad van State de hoogste rechter. Dus voorlopig zullen wij het met deze jurisprudentie moeten doen.

Conclusie

Curator en overheid zullen bij faillissement over de schutting van hun eigen rechtsgebied heen moeten kijken en beoordelen wat het faillissement betekent voor lopende handhavingsbesluiten. De overheid zal vervolgens ook moeten beoordelen of er aanleiding is voor het nemen van nieuwe handhavingsbesluiten, gericht aan de curator.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Robert van der Velde en mr. Peter Fousert.

Meer nieuws

Start chatgesprek

Medewerkers zijn nu beschikbaar

Onze medewerkers zijn nu online om uw zakelijke vragen te beantwoorden. Vul de naam van uw organisatie in en klik op "Start chat" om een chatgesprek te starten.

Sorry, de chat is momenteel niet beschikbaar