UAV-GC 2005: keuzevrijheid aannemer?

Leestijd 3 minuten

Het laat zich aanzien dat het gebruik van de UAV GC in de bouw toeneemt. In elk geval verschijnen er de laatste tijd best wat uitspraken over.

Nog even kort de systematiek van die UAV GC: de opdrachtgever stelt een vraagspecificatie op. In de vraagspecificatie geeft de opdrachtgever aan aan welke eisen het werk moet voldoen. Die vraagspecificatie kan een a4’tje zijn met tekst, maar kan ook – bijvoorbeeld – al een tot DO (definitief ontwerp) niveau uitgewerkt ontwerp zijn.

Het is aan de aannemer om vervolgens een aanbieding te doen. Krijgt hij de opdracht en wordt een overeenkomst gesloten, dan dient hij in dat kader (nadere) ontwerp- en uitvoeringswerkzaamheden te verrichten, zodanig dat het (te realiseren) werk op de vastgelegde opleverdatum voldoet aan de eisen van de overeenkomst.

In onderhavige zaak had de opdrachtgever het ontwerp tot VO+ (“Voorlopig Ontwerp plus”) uitgewerkt. Volgens de opdrachtgever stond Welstand positief tegenover dit ontwerp, waardoor het als uitgangspunt mocht dienen voor verdere uitwerking. Dit VO+ ging uit van een decentrale luchtbehandelingsinstallatie (LBI).

Nadat de overeenkomst was gesloten, stelde de aannemer een alternatief voor: een centrale (dus geen decentrale) LBI. De opdrachtgever wees dit niet meteen af, maar vroeg om de gelijkwaardigheid aan te tonen. Ondertussen vroeg de aannemer al een omgevingsvergunning aan met de centrale LBI als uitgangspunt.

De opdrachtgever heeft het alternatief uiteindelijk afgewezen. Enige tijd later bleek dat Welstand eigenlijk helemaal geen substantiële opbouw op het dak accepteerde (dus ook de decentrale LBI niet). Welstand gaf aan desalniettemin wel in te kunnen stemmen met een decentrale LBI, als daar maar een gemetselde ombouw omheen werd gemaakt.

Deze hele gang van zaken leverde de aannemer vertraging op en extra kosten. Hij vond dat wat de opdrachtgever had gesteld, namelijk dat Welstand positief stond tegenover het VO+, niet klopte. Wat denkt u: is de opdrachtgever aansprakelijk?

Nauwelijks. De vraagspecificatie vroeg om een decentrale LBI. De aannemer stelde een alternatief voor: een decentrale. Dat alternatief mag de opdrachtgever volgens de UAV GV weigeren zonder dat hij daarvoor een reden hoeft te hebben. De aannemer heeft dus simpelweg “geen recht” op een centrale LBI.

Arbiters constateerden ook dat als de aannemer meteen een omgevingsvergunning had gevraagd voor een decentrale LBI, die omgevingsvergunning tijdig was gekomen. In dat licht bezien was alle vertraging voor rekening van de aannemer.

Dan blijft er nog een puntje over: die gemetselde ombouw. Die stond immers niet in de Vraagspecificatie. Die suggereerde dat zo’n ombouw niet nodig was. Met zo’n ombouw had de aannemer bij inschrijving (en bij het bepalen van de prijs) dan ook geen rekening mee gehouden. Nu die er toch moest komen, waren de extra kosten hiervan voor rekening van de opdrachtgever.

De les: de keuzevrijheid van de aannemer bij de UAV GC is dus beperkt tot datgene dat niet in de overeenkomst is opgenomen. Dingen die er wel in staan, daarvan mag hij best voorstellen doen tot wijziging, maar de opdrachtgever kan die simpelweg wegwuiven en vertraging en kosten als gevolg van zo’n wijziging komen dus niet voor vergoeding in aanmerking.

Raad van Arbitrage 24 januari 2017, geschilnummer 35.951.

Reacties

Nog geen reacties

Laat een reactie achter
  • Wordt niet openbaar gemaakt
Start chatgesprek

Medewerkers zijn nu beschikbaar

Onze medewerkers zijn nu online om uw zakelijke vragen te beantwoorden. Vul de naam van uw organisatie in en klik op "Start chat" om een chatgesprek te starten.

Sorry, de chat is momenteel niet beschikbaar