Bankiers: het zijn net mensen!

Leestijd 3 minuten

Bankierseed

Sinds 1 april 2016 zijn alle medewerkers van banken verplicht de bankierseed (of –belofte) afleggen. Door het afleggen van die eed beloven bankmedewerkers dat zij:

  1. hun functie integer en zorgvuldig zullen uitoefenen;
  2. een zorgvuldige afweging maken tussen de belangen van alle partijen waaronder die van klanten, aandeelhouders, werknemers en de samenleving waarin de bank opereert;
  3. het belang van de klant centraal stellen;
  4. zich zullen gedragen naar de wetten, de reglementen en gedragscodes die op bankiers van toepassing zijn;
  5. geheim houden wat aan hen is toevertrouwd;
  6. geen misbruik maken van hun kennis;
  7. zich open en toetsbaar opstellen en hun verantwoordelijkheid voor de samenleving kennen;
  8. zich inspannen om het vertrouwen in de financiële sector te behouden en te bevorderen.

Dat is nogal wat.

De bankierseed staat niet op zichzelf. Bankiers kennen inmiddels ook eigen tuchtrecht.

Tuchtrecht voor bankiers

Langzaamaan druppelen de eerste tuchtrechtelijke uitspraken binnen. Inmiddels is er een aantal uitspraken waarin bankiers worden aangesproken die – uit nieuwsgierigheid –gegevens van klanten bekijken zonder zakelijke aanleiding. De tuchtrechter opereert in die gevallen streng, met een tijdelijk beroepsverbod. Dat betekent dat de betreffende bankmedewerker gedurende een bepaalde periode niet meer werkzaam mag zijn in de bancaire sector.

De meest opvallende uitspraak van de tuchtrechter is recentelijk in hoger beroep gedaan door de Commissie van Beroep. De Commissie van Beroep heeft geoordeeld dat ook privé handelen dat niet verenigbaar is met de door de bankierseed gevraagde integriteit onder de reikwijdte van de bankierseed valt. Vreemd is dat overigens niet, ook bij andere beroepen (zoals advocaten) geldt een soortgelijke norm. Het is zelfs logisch als naar de feiten wordt gekeken waarover de tuchtcommissie een beslissing moest nemen.  Een medewerker van een bank kreeg per ongeluk een bedrag op zijn bankrekening gestort. Dit bedrag was afkomstig van een klant van de bank. De medewerker wist dat dit bedrag niet voor hem bestemd was. In plaats van het bedrag terug te storten of de fout te melden heeft de bankmedewerker de helft van het bedrag aan zijn (toenmalige) vriendin overgemaakt (saillant detail: die vriendin was op dat moment ook voor de bank werkzaam en had de betreffende betaling voorbereid). De omschrijving van die betaling was “vakantie shoppen”. De overboeking aan zijn vriendin vond plaats nadat de bankmedewerker het abusievelijk ontvangen bedrag eerst in drie porties naar zijn eigen privé rekeningen had overgemaakt.

Uiteindelijk heeft de bankmedewerker – toen het bedrog ontdekt was – het bedrag terugbetaald. Het (uitzend)dienstverband met de bankmedewerker is beëindigd.

De tuchtrechter (in eerste aanleg) oordeelde dat de klacht over deze bankmedewerker niet ontvankelijk was omdat er sprake was van een privé handeling. De tuchtrechter besliste dat het tuchtrecht niet bedoeld is voor privé handelingen. De Commissie van Beroep is het – vooral tegen de achtergrond van de feitelijke handelingen van de bankmedewerker – niet met de tuchtrechter eens. De commissie van beroep verklaarde de bankmedewerker schuldig maar legde geen straf op: hij was door het verliezen van zijn baan al genoeg gestraft. De Commissie van Beroep bevestigt dat de handelwijze van de bankmedewerker in strijd was met de bankierseed en concludeert dat bankmedewerkers ook in hun persoonlijke betalingsverkeer integer en zorgvuldig moeten zijn. Het zijn net mensen.

Reacties

Nog geen reacties

Laat een reactie achter
  • Wordt niet openbaar gemaakt
Start chatgesprek

Medewerkers zijn nu beschikbaar

Onze medewerkers zijn nu online om uw zakelijke vragen te beantwoorden. Vul de naam van uw organisatie in en klik op "Start chat" om een chatgesprek te starten.

Sorry, de chat is momenteel niet beschikbaar