Detailhandel en dienstenrichtlijn en bestemmingsplannen

Leestijd 3 minuten

In mijn blog van 31 januari 2018 schreef ik over de uitspraak van het Europese Hof van Justitie over – kort gezegd – de vraag of de gemeente Appingedam in een bestemmingsplan de komst van een Bristolvestiging naar winkelcentrum het Woonplein aan de rand van Appingedam mocht verbieden. Het bestemmingsplan liet zo’n Bristolvestiging niet toe; op het Woonplein was alleen perifere en volumineuze detailhandel mogelijk. Veel gemeenten kennen soortgelijke brancheringsregels in bestemmingsplannen die ertoe strekken “gewone” detailhandel in de binnenstad te houden, ter voorkoming van leegstand.

Brancheren mag …

In de tussenuitspraak van 20 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2062) heeft de Raad van State  de uitspraak van het Hof toegepast op het Appingedamster bestemmingsplan. In lijn met het Hof oordeelde de Raad van State dat een brancheringsregeling in bestemmingsplannen in principe is toegestaan. Met zo’n brancheringsregeling wil de gemeente over het algemeen de leefbaarheid van het stadscentrum behouden en leegstand voorkomen. Dat is een dringende reden van algemeen belang, die een inbreuk op de Europese vrijheden (vrijheid van vestiging, vrijheid van dienstverlening) kan rechtvaardigen.

Maar wel non-discriminatoir, noodzakelijk en evenredig

Vervolgens onderzoekt de Raad van State of de brancheringsregeling in dit concrete geval non-discriminatoir, noodzakelijk en evenredig is.

Dat de regeling non-discriminatoir is staat buiten kijf; zij geldt voor alle ondernemers, ongeacht hun nationaliteit.

Ook voldoet de Appingedamster brancheringsregeling aan het noodzakelijkheidsvereiste. De Afdeling oordeelt dat in dit geval enige vorm van branchering waarschijnlijk wel nodig is ter bescherming van de binnenstad.

Bij de evenredigheidstoets gaat het echter niet helemaal goed voor de gemeente. De Raad van State onderzoekt of de brancheringsregeling geschikt is om het beoogde doel (bescherming van de binnenstad) te bereiken én of de brancheringsregeling niet verder gaat dan strikt noodzakelijk is. Met andere woorden, kan datzelfde doel niet met minder beperkende maatregelen worden bereikt?

De gemeente meende op basis van algemene ervaringsgegevens dat branchering nodig was, maar had daarnaar geen specifiek onderzoek gedaan. Een analyse van de geschiktheid van de brancheringsregeling ontbrak. Daarom kan de Raad van State niet beoordelen of de brancheringsregeling in dit geval geschikt was om de binnenstad te beschermen en evenmin of de brancheringsregeling niet verder gaat dan met het oog op dat doel strikt noodzakelijk is.

De bewijslast van de geschiktheid en de evenredigheid rusten op de gemeente. Daarom stelt de Raad van State de gemeente in deze tussenuitspraak in de gelegenheid om aan de hand van een analyse met specifieke gegevens dat bewijs alsnog te leveren.

Voor de praktijk

Voor de bestemmingsplanpraktijk betekent dit dat in de toelichting bij een bestemmingsplan met een brancheringsregeling voor detailhandel verslag moet worden gedaan van onderzoek naar de noodzakelijkheid, geschiktheid en evenredigheid van zo’n  brancheringsregeling.

Reacties

Nog geen reacties

Laat een reactie achter
  • Wordt niet openbaar gemaakt
Start chatgesprek

Medewerkers zijn nu beschikbaar

Onze medewerkers zijn nu online om uw zakelijke vragen te beantwoorden. Vul de naam van uw organisatie in en klik op "Start chat" om een chatgesprek te starten.

Sorry, de chat is momenteel niet beschikbaar