Spring naar inhoud
Contact

Aanbod voor een huurovereenkomst: kijk een gegeven paard niet in de bek!

Datum
Leestijd
3 minuten
door
Daniël Schuth
De gemeente Epe heeft jarenlang een standplaatsvergunning verleend en wenst hieraan een einde te maken. Kan dit zomaar? Deze vraag werd aan het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voorgelegd. Op 10 juli 2018 heeft het Gerechtshof uitspraak gedaan.

Wat speelde er?

De gemeente is eigenaar van een stuk grond waarop een kiosk werd uitgebaat. Sinds 2003 moest de uitbater jaarlijks een standplaatsvergunning aanvragen, die steeds werd verstrekt. Op 3 december 2013 besloot de gemeente de vergunning wederom te verlenen, maar ditmaal met een einddatum en zonder mogelijkheid tot verlenging. De vergunning gold tot 31 december 2014.

De uitbater heeft bezwaar gemaakt tegen de aan hem verleende standplaatsvergunning. Ook heeft hij een notaris verzocht een verklaring inzake verkrijgende verjaring van het recht van de opstal met betrekking tot de kiosk in te schrijven in de openbare registers.

De gemeente hield voet bij stuk en heeft de aanvraag om een standplaatsvergunning voor het jaar 2014 geweigerd. Wel bood de gemeente een huurovereenkomst aan de uitbater aan, eindigend op 31 december 2016. De uitbater weigerde echter de huurovereenkomst te tekenen waarop de gemeente een civiele procedure startte om tot ontruiming van het perceel te komen.

Vordering tot ontruiming

Zowel de Rechtbank als het Gerechtshof hebben geoordeeld dat het verlenen van een vergunning in de weg staat aan verkrijgende verjaring. De vergunningverlening vormt de rechtsgrond voor het gebruik van het perceel door de uitbater. Daardoor is er geen sprake van een “bezitsdaad”. Doordat er geen verjaring werd aangenomen, was er geen recht van opstal ontstaan.

Toch wees de Rechtbank de vordering tot ontruiming af. De vergunning was jarenlang verleend en daarom was de Rechtbank van mening dat de vergunning voor de kiosk heeft te gelden als eigendom (ingevolge artikel 1 eerste Protocol EVRM). Het niet verlenen van de vergunning was ontneming van eigendom hetgeen onrechtmatig is, tenzij een redelijke vergoeding wordt aangeboden. De Rechtbank was van oordeel dat geen redelijke vergoeding voor de ontneming was aangeboden.

De gemeente ging in hoger beroep en het Gerechtshof wees de vordering tot ontruiming toe. Voor het Gerechtshof stond vast dat de ontruiming tevens het einde van de bedrijfsvoering betekende. Dit wordt rechtvaardig geacht. De gemeente heeft, als eigenaar van de grond, het recht om gebruiksrechten op haar grond te reguleren, publiekrechtelijk of privaatrechtelijk. De publiekrechtelijke weg (de vergunning) is rechtmatig beëindigd en de privaatrechtelijke weg (de huurovereenkomst) is door de weigering van de uitbater niet tot stand gekomen.

Rechtsbescherming

Dit arrest benadrukt dat een langdurig verleende vergunning niet “zomaar” kan worden stopgezet. In dit geval heeft de gemeente een huurovereenkomst aangeboden hetgeen als schadevergoeding c.q. overgangstermijn wordt gezien. De uitbater heeft echter het gegeven paard (de huurovereenkomst) in de bek gekeken en stond uiteindelijk met lege handen.