Spring naar inhoud
Contact

In Groningen géén vergunning nodig bij voortgezette verhuur aan drie personen

Datum
Leestijd
3 minuten
door
Robert van der Velde

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 24 september 2019 een uitspraak gedaan die belangrijk is voor Groningse verhuurders die vóór en na 1 juli 2015 kamers verhuurden aan drie personen. Voor die voortgezette verhuur is namelijk, anders dan de gemeente beoogde, géén onttrekkingsvergunning nodig.

Achtergrond

Sinds 1 juli 2015 geldt in Groningen een vergunningsplicht voor woningen als sprake is van minimaal drie bewoners in minimaal drie onzelfstandige verblijven. Daarvoor was slechts bij bewoning door vier of meer bewoners een onttrekkingsvergunning vereist. Door de invoering van deze vergunningplicht zijn dus veel meer woningen vergunningplichtig geworden. Eigenaren van deze panden konden tot 1 juli 2017 een vergunning op basis van het overgangsrecht aanvragen, ook wel beperkte onttrekkingsvergunning genoemd. Aanvragen van na 1 juli 2017 zijn door de gemeente consequent geweigerd. Dat heeft geleid tot veel procedures.

Ombudsman en bezwaarschriftencommissie

De gemeentelijke ombudsman vindt die weigeringen onbehoorlijk omdat de beleidswijziging en de overgangsregeling niet adequaat bekend zijn gemaakt. De gemeentelijke ombudsman heeft de gemeente geadviseerd na 1 juli 2017 aangevraagde vergunningen alsnog te verlenen. De gemeente heeft dat advies naast zich neer gelegd. De gemeentelijke bezwarencommissie meende dat na 1 juli 2017 aangevraagde beperkte onttrekkingsvergunningen gewoon geweigerd konden worden.

Rechtbank: helemaal geen vergunning nodig

De rechtbank kiest voor een geheel andere benadering. Volgens de rechtbank bestaat in Groningen wél een vergunningsplicht voor het – na 1 juli 2015 – onttrekken van woningen door een bestaande woning te verhuren aan minimaal drie bewoners, maar niet voor het “onttrokken houden” als die situatie ook al vóór 1 juli 2015 bestond. Kort samengevat: wie na 1 juli 2015 drie kamers aan drie studenten wil verhuren “onttrekt” en heeft daarvoor een onttrekkingsvergunning nodig. Maar wie dat vóór 1 juli 2015 al deed, “onttrekt” niet; hij had immers al onttrokken (weliswaar zonder vergunning, maar dat mocht vóór 1 juli 2015) en voor het voortzetten van die bestaande situaties geldt geen onttrekkingsvergunningsplicht.

Wat betekent dit in de praktijk?

Iedereen die vóór 1 juli 2015 drie kamers aan drie studenten verhuurde mag dat – zonder onttrekkingsvergunning – ook na 1 juli 2015 blijven doen. Het was dus niet nodig om daarvoor een onttrekkingsvergunning aan te vragen. Wie dat wel heeft gedaan en zo’n beperkte onttrekkingsvergunning heeft gekregen beschikt nu dus over een vergunning die volgens de rechtbank helemaal niet nodig was.

Wie te maken heeft met een geweigerde onttrekkingsvergunning kan zich onder verwijzing naar de rechtbankuitspraak op het standpunt stellen dat een onttrekkingsvergunning helemaal niet meer nodig is. De aangevraagde vergunning kan dan niet worden geweigerd maar moet volgens de rechtbank worden afgewezen, omdat de aangevraagde vergunning niet nodig is.

Vragen die zich nu gaan voordoen zijn bijvoorbeeld of ook aan meer dan drie bewoners verhuurd kan worden? De woning is immers al onttrokken. En wellicht kunnen verhuurders die, gedwongen door de gemeente, de verhuur aan drie personen hebben beëindigd daarvoor een schadeclaim indienen? Die vragen zijn in zijn algemeenheid niet te beantwoorden, maar afhankelijk van de specifieke situatie. Daarbij speelt ook het bestemmingsplan een rol, omdat daarin ook regels kunnen staan over kamerverhuur.

Hoger beroep?

Ik sluit niet uit dat de gemeente hoger beroep instelt bij de Raad van State. Een hoger beroepsprocedure duurt, tot en met de uitspraak van de Raad van State, ongeveer een jaar. Zo’n hoger beroep heeft geen schorsende werking. Voorlopig moet de gemeente zich dus houden aan de uitspraak van de rechtbank.