Spring naar inhoud
Contact

#MeToo op de werkvloer: wat vindt de rechter?

Datum
Leestijd
5 minuten
door
PlasBossinade
Sinds de #MeToo-beweging in oktober 2017 is losgebarsten, is er veel aandacht voor seksueel grensoverschrijdend gedrag. Ook in 2019 blijven er verhalen opduiken over hooggeplaatste personen die het veld moeten ruimen na beschuldigingen van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Neem de publicatie van de NRC medio mei, over een voormalig hoogleraar arbeidsrecht van de UvA (tevens voormalig plaatsvervangend raadsheer bij het Gerechtshof Amsterdam). Hij moest in 2018 opstappen nadat aan het licht kwam dat hij het aanpapte met studenten en zich schuldig had gemaakt aan seksueel grensoverschrijdend gedrag, machtsmisbruik en ander wangedrag. Wie het artikel leest, zal zich niet alleen verbazen over het schandalige gedrag van de ex-hoogleraar, maar tevens over de wijze waarop hij daar jarenlang ongehinderd mee door kon gaan.

Zodra dit soort zaken uit de doofpot komen, kiezen de betrokkenen er vaak al snel voor om de eer aan zichzelf te houden (voor zover dat dan nog kan) en zelf op te stappen. Er worden maar weinig uitspraken gepubliceerd van werknemers of bestuurders die het op een rechtszaak laten aankomen.

Docent bewegingsleer betast studenten en handelt (ernstig) verwijtbaar

Een voormalig docent bewegingsleer die werd beschuldigd van seksueel grensoverschrijdend gedrag koos daar wel voor. Hij werkte al lange tijd aan de Toneelacademie, een onderdeel van de hogeschool in Limburg. De hogeschool ontving al in 2006 meldingen van leerlingen die zich tijdens de lessen van de docent niet prettig/onveilig voelden. De docent werd daarop aangesproken en verplicht zijn didactische aanpak te veranderen.

Nadat er enige tijd geen meldingen binnenkwamen, ontving de hogeschool in 2010 opnieuw soortgelijke signalen. Met de docent vonden wederom gesprekken plaats. Het werd hem bovendien verboden om op wat voor manier dan ook fysiek contact met studenten te hebben.

Een aantal jaren later ging het weer mis. In 2017 gaf de docent een tik op de billen van een studente en zei daarbij dat hij dat al langer had willen doen. Nader onderzoek wees uit dat hij in diezelfde periode ook een massageles aan studenten had gegeven. Tijdens die les gebruikte hij een studente als voorbeeld. Hij gaf de studente voor de klas tot twee keer toe een volledige lichaamsmassage, waarbij hij intieme delen niet vermeed. De studente bleef in shock achter.

Dit alles was voor de hogeschool aanleiding om aan de kantonrechter te vragen om de arbeidsovereenkomst van de docent te ontbinden op grond van ernstig verwijtbaar handelen. De kantonrechter ging daar in mee. Ook hij vond het gedrag van de docent veel te ver gaan. Om die reden had de docent onder meer geen recht op de transitievergoeding.

De docent liet het er niet bij zitten en ging in hoger beroep. De raadsheren van het Gerechtshof (nee, niet het Gerechtshof in Amsterdam) hadden een mildere visie op het gedrag van de docent. Het Gerechtshof hield de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van verwijtbaar handelen wel in stand, maar kon zich niet vinden in het label “ernstig verwijtbaar”. Dat kwam onder meer omdat het Gerechtshof vond dat de school ook een verwijt kon worden gemaakt; zij had docenten beter moeten doordringen van de grenzen die aan de benadering van studenten gebonden zijn. Daarnaast lijkt het Gerechtshof van oordeel dat de hogeschool ook eigen schuld aan de situatie had. De didactiek en lesinvulling van de docent werden namelijk sinds 2013 niet meer gemonitord. Het Gerechtshof vond dat de hogeschool er niet op had mogen vertrouwen dat de inhoud van de lessen goed was en de veiligheid gewaarborgd was, puur en alleen omdat er geen nieuwe meldingen van ongewenst gedrag waren binnengekomen. Ook was volgens het Gerechtshof niet gebleken van kwade bedoelingen aan de zijde van de docent.

Seks tegen de wil-wet

Een opvallende uitspraak, zeker als je die afzet tegen het initiatief van de Minister van Veiligheid en Justitie Fred Grapperhaus, om seks(uele handelingen) tegen de wil en seksuele intimidatie in de openbare ruimte strafbaar te stellen. In zijn brief aan de Tweede Kamer van 22 mei jl. schrijft Minister Grapperhaus dat de aanleiding voor dit initiatief is gelegen in de #MeToo-beweging. Deze beweging heeft volgens Minister Grapperhaus onder de aandacht gebracht hoe wijdverbreid seksueel overschrijdend gedrag voorkomt, en hoe ook lichtere vormen zoals ongewenste seksuele betasting sterker worden afgekeurd dan voorheen. Omdat dergelijk gedrag echter nog niet altijd strafbaar is, ziet de Minister aanleiding om met nieuwe wetgeving te komen. Onder die nieuwe wetgeving zal bijvoorbeeld ook het ongewenst seksueel betasten van een ander strafbaar zijn, als iemand wel in de gaten had dat de ander dat niet uit vrije wil toestond of de onvrijwilligheid uit de feiten en omstandigheden had behoren af te leiden.

Het Gerechtshof had in de hiervoor aangehaalde uitspraak best tot een soortgelijke redeneertrant kunnen komen. De docent bewegingsleer was immers een gewaarschuwd man en kon toch zelf ook wel begrijpen dat zijn gedrag, gelet op de docent/student-verhoudingen, ongepast en ongewenst was. Dat is in ieder geval wel hoe de kantonrechter erover dacht.

De verschillende uitkomsten zijn een schoolvoorbeeld van hoe subjectief gerechtelijke uitspraken soms kunnen zijn. En hoe groot de toegevoegde waarde van een goede advocaat kan zijn. Wie de feiten op de juiste manier kan kleuren, en bij de rechter op precies de juiste knoppen kan drukken, kan een wereld van verschil maken.