Heeft u het al gemerkt? Het verpandingsverbod is verboden
Per 1 juli 2025 is de Wet opheffing verpandingsverboden in werking getreden. De wet is in mei 2020 ingediend bij de Tweede Kamer, er is dus lang over gedebatteerd. Waar gaat dit ook al weer over?
De achtergrond van de Wet opheffing verpandingsverboden ligt in de wens om de negatieve economische effecten van cessie- en verpandingsverboden te beperken. Deze verboden zijn vaak opgenomen in overeenkomsten of algemene voorwaarden. Een verbod voor een leverancier om zijn vordering op de afnemer over te dragen of te verpanden (aan bijvoorbeeld de bank) zorgt ervoor dat die vordering niet meer kan dienen als zekerheid voor de financiering van het bedrijf van de leverancier. Dit heeft met name in sectoren zoals de bouw en retail geleid tot beperkingen in financieringsmogelijkheden.
Veel (grote) ondernemingen hebben baat bij een verpandings- en vervreemdingsverbod. Het zorgt ervoor dat die ondernemingen niet worden geconfronteerd met een hen onbekende schuldeiser die de vordering opeist. Administratief zou dat makkelijker moeten zijn. Daarnaast wordt voorkomen dat een debiteur van de onderneming vorderingen op de onderneming overneemt om te kunnen verrekenen.
Of het administratief makkelijk wordt, valt overigens te betwijfelen. De onderneming die gebruik maakte van een verpandings- of vervreemdingsverbod moet kunnen bewijzen dat een verpandings- en vervreemdingsverbod rechtsgeldig overeen is gekomen. Dat betekent dat aangetoond moet kunnen worden dat algemene voorwaarden op de juiste wijze van toepassing zijn verklaard en overhandigd. Dat is niet altijd het geval. Maar als dat wel het geval is, betekent het aantonen ook een administratieve belasting.
De regeling, zoals die is vastgelegd in artikel 3:83 lid 2 BW, staat toe dat partijen de overdraagbaarheid van vorderingen contractueel uitsluiten. Dit kan zowel in de vorm van een verbod worden gegoten, als in de vorm van een goederenrechtelijke onmogelijkheid. In de variant van het verbod is het niet toegestaan, maar wel mogelijk. De schuldeiser pleegt wanprestatie als hij de vordering toch verpandt of overdraagt, maar de verpanding of de overdracht is een feit. Het goederenrechtelijk verbod wordt het meeste toegepaste en staat aan de verpanding of overdracht echt in de weg.
Het wetsvoorstel heft deze beperkingen op door dergelijke bedingen nietig te verklaren wanneer het gaat om geldvorderingen op naam die voortkomen uit de uitoefening van een beroep of bedrijf. Een door een onderneming verstuurde factuur is zo’n geldvordering op naam. De hele debiteurenportefeuille van een onderneming kan dus als onderpand dienen bij een financieren en dat zal de financierbaarheid van bedrijven verbeteren en economische voordelen bieden. Het verbod strekt niet verder dan nodig voor de financierbaarheid van ondernemingen. Consumenten kunnen nog steeds zo’n verbod overeen komen.
De voorgestelde wijzigingen sluiten aan bij internationale ontwikkelingen. In landen zoals België, Duitsland en Frankrijk zijn vergelijkbare maatregelen genomen om de nadelige effecten van dergelijke verboden te beperken.
De wet geldt vanaf 1 juli 2025. Voor bestaande verpandings- en vervreemdingsverboden geldt een overgangsbepaling. Die blijven gedurende drie maanden nog geldig, en verliezen dan hun werking. Vanaf 1 oktober 2025 is het verpandings- en vervreemdingsverbod in zakelijke overeenkomsten verleden tijd.
